Jezus zei:   'wie alles kent behalve zichzelf, mist alles'Thomasevangelie, logion  67الله محبة وشامل

 

" HART-BEVING"    door Carla van Ommen 

  

Op het moment dat ik het koelkastje op mijn hotelkamer open, begint het gerommel; een diep gegrom uit het binnenste der aarde. Terwijl ik gebogen sta, doodstil, mijn vingers om een fles water geklemd, luister ik. Een onheilspellend geluid als van voorbij denderende metrotreinen, het schrille gefluit van een enorme windvlaag die plotseling de kamer binnen komt en een dikke stofmist die de ruimte vult… Mijn omgeving verandert in een krakende massa gebarsten steen en vallende brokstukken. Even klaart de mist op en kijk ik naar buiten. In de verte kolkt de zee en op het moment dat ik besef dat er geen buitenmuur meer is, opent de grond zich onder mijn voeten en val ik naar beneden.

 

Het hotel staat aan de rand van het strand en mijn kamer is op de derde verdieping, met uitzicht op zee, waar ik met klem op heb aangedrongen. Als ik incheck aan de balie werp ik een blik op een lijst met activiteiten die in een plastichouder op de balie staat. De lijst is versierd met kleurrijke afbeeldingen van verschillende bezienswaardigheden, maar die kunnen wachten. Eerst wil ik een dag of twee niets doen, een beetje de directe omgeving verkennen, snorkelen in zee en lui zonnen aan het strand. Ik neem mijn sleutel in ontvangst en volg de jongen die zich mijn koffer heeft toegeëigend.

‘Kamernummer zeventien, derde verdieping,’ zegt hij in gebroken Engels.

Hij opent de deur, installeert mijn koffer op het daarvoor bestemde rek, loopt door naar het balkon en toont met een zwierig gebaar van zijn bruine arm het weidse uitzicht over zee en op de kale, van de hitte zinderende rotswoestijn aan de overkant.

‘Saoudie Arabia, madam.’

Hij wijst op de gemakkelijke stoel op het balkon, draait zich om en opent de deur naar een eigen bad en toilet, een luxe waar ik me nu al op verheug. Er staat een tweepersoonsbed met een rood met groen geweven sprei, waarop twee kunstig tot slangen gedraaide witte handdoeken liggen. Zouden ze hier denken dat ik er niet lang alleen in zal liggen?

Ik volg hem naar de deur en druk hem zijn baksheesh in de handen, waarop hij grinnikend verdwijnt.

Schuin tegenover mijn kamer opent er een deur. Een opvallend grote man van middelbare leeftijd met een enorme, warrige bos grijze krullen, handdoek over zijn schouder. Hij knikt mij vriendelijk toe. Ik sluit de deur van mijn kamer af en zet de twee blikjes bier die ik uit Nederland mee heb genomen in het koelkastje. Daarna open ik de kraan van het bad, om de vermoeienissen van de reis van me af te wassen. Ik giet de helft van het flesje badolie in het water, orchideeëngeur, en begin ondertussen mijn koffer uit te pakken.

Na mijn bad, op mijn balkon, met een sigaret en een glas koud bier, voel ik me voor het eerst na lange tijd tevreden. Ik kijk naar de ondergaande zon en verbeeld me dat die nergens anders op aarde is zoals hier. De steenklompen aan de overkant van het water veranderen van diep oranje naar zacht roze, om vervolgens in vage bruintinten op te lossen in de schaduwen. Het water kleurt van roze naar poederblauw en tenslotte in rustig deinend zilvergrijs. Nu is de hemel diepblauw, zoals de hemel alleen maar hier kan zijn en bezaaid met miljoenen sterren. Er schijnt een klein liggend sikkelmaantje, zoals je het bij ons nooit ziet, zoals op plaatjes in de sprookjesboeken van Duizend en een Nacht.

Ik ga naar beneden en neem plaats aan een van de tafels buiten op het terras, waar ik een eenvoudige maaltijd van de kaart bestel: french fries, green salad en steak. De steak bestaat uit gehakt en lijkt meer op een hamburger dan op een biefstuk, maar ik ken het gerecht en het smaakt goed. Vooraf wordt een plat brood geserveerd wat in sierlijke driehoeken is gesneden met een kommetje tahin, een pasta van sesamzaad die smaakt naar niets wat ik ooit eerder heb geproefd. Ik vraag om wijn en de ober haalt bedenkelijk zijn wenkbrauwen op, maar dat spelletje ken ik. Hij verdwijnt daarna een poosje uit zicht om even later terug te komen met een volle fles, die hij discreet onder een servet vandaan haalt. Ik moet de hele fles nemen, dat spreekt vanzelf en de wijn is duur. Nog steeds tevreden stap ik een uur later weer mijn kamer binnen met de aangebroken fles wijn en ga op het balkon zitten. De nacht is zwoel, de wijn smaakt krachtig en een beetje kruidig, en ik rook een sigaret. Beneden mij klinken de opgewonden gesprekken van een groepje Bedoeïenen aan de overkant van de straat, op de parkeerplaats van het hotel. Ik verwonder me opnieuw over hun soepele, trotse manier van lopen en bewegen. Ze spelen met hun hoofddoeken als een vrouw met haar kapsel. Er zijn talloze manieren om de keffiyeh om het hoofd te binden en ze worden alle benut.

Er komen pick-ups aanrijden met achterop de laadbak lachende vrouwelijke toeristen, vergezeld van jonge Bedoeïenen. Ze zijn dronken van de betoverende nacht en de zee, dwaas van de hoop, onbezorgd en onbewust. Ik glimlach en herken het ongekend vrije gevoel dat het leven je nog alles te bieden heeft en voor het grijpen ligt.

De pijn komt weer terug. Hevig en verlammend en mijn keel snoert dicht van wanhoop. Ik dacht toch dat het hier al beter met me ging. Je mag niet meer denken, Irene, je mag er niet aan denken. Druk het weg! Ogenblikkelijk! Nu!

De man met de grijze bos krullen stapt in een aanrijdende taxi met een roodharige jonge vrouw aan zijn arm. Voor hen is de avond misschien pas nu begonnen, voor mij eindigt hij en ik trek me terug in mijn kamer en kruip in bed, mijn gezicht dicht in het kussen gedrukt om de kreten te smoren. Oké, toe dan maar Irene, laat maar even gaan dan als het niet anders kan. Morgen zal het beter gaan.

 

Ik open mijn ogen en weet eerst niet waar ik ben. Mijn hele lichaam is stijf en mijn been doet zo’n pijn dat ik naar adem hap. Ik kijk om me heen, terwijl de paniek me opnieuw overmant. Het is nog steeds aardedonker, maar ik til mijn hand op tot vlak voor mijn ogen en kan nu contouren onderscheiden.

Ik ben niet blind, ik lig onder een laag puin van de aardbeving. Een aardbeving! Ik weet het plotseling weer, het ging razendsnel, maar dat is het geweest! Ik probeer opnieuw of ik mijn lichaam kan bewegen. Mijn armen zijn vrij, dat lukt wel, maar ten hoogte van mijn middel zit ik vast. Ik voel met mijn handen naar beneden en betast voorzichtig iets hards en houtigs, wat schrijlings over mijn middel ligt. Ik trek er voorzichtig aan, maar het zit muurvast. Boven het stuk hout voel ik brokken steen, die het hout naar beneden drukken. Als het hout verschuift word ik misschien wel verpletterd!

Ik blijf een poosje stil liggen en haal diep adem, om van de schok te bekomen. Ik lig bedolven onder de brokstukken van het hotel en ik lig klem, en als ik me beweeg, stort er misschien van alles boven me in.

Ik begin luidkeels te snikken en om hulp te roepen. Hoe lang lig ik hier al? Zijn ze al aan het zoeken naar overlevenden? Ik schreeuw en luister om beurten, maar hoor niets anders dan het zachte gedrup van water en het geruis van vallend zand en klein gesteente. Misschien lig ik wel heel diep verscholen onder het puin en zal ik een langzame dood sterven. Anders zou ik toch iets moeten horen? Stemmen, machines, mensen die met schoppen en houwelen puin opruimen, op zoek naar overlevenden?

‘Het heeft nu nog geen zin.’

Hoor ik echt een stem, of begin ik te hallucineren? Is er nog iemand hier beneden, ben ik dan niet meer alleen? Ik wil plotseling opnieuw schreeuwen, maar nu van vreugde.

‘Je moet je stem sparen, ze zijn nog veel te ver weg.’

‘Hallo, is er iemand? Waar bent u?’

‘Vlak naast je,’ klinkt de stem. Het is een aangename stem, de stem van een man, een oudere man, lijkt me.

‘Je moet nu rustig blijven, dat is de enige manier. Diep ademhalen.’

‘Maar waar bent u, wie bent u?’

‘Ik lig naast je, in dezelfde ruimte.’

Ik voel met mijn rechterarm waar het geluid vandaan komt, maar voel slechts brokstukken steen. ‘Er ligt een hoop stenen en rommel tussen ons in.’

Mijn god, het is dus echt waar, de aarde heeft gebeefd en we zijn in een gat gevallen. ‘Bent u gewond? Kunt u zich bewegen?’

‘Dichter kan ik niet bij je komen.’

Ik wil die stem wel vastgrijpen en dicht tegen me aanhouden. Die ander, het is een wonder en een geluk dat er iemand zo dichtbij is, nu voel ik me niet meer zo verlaten.

‘Ik durf me niet te verroeren, want ik lig klem met mijn onderbenen. Blijf alstublieft tegen me praten.’

‘Hoe heet je?’

‘Irene. En u?’

‘Lucas Steenman. Zeg maar Lucas.’

‘Steenman. Een toepasselijke naam.’ Ik lach schor om mijn eigen grap, maar misschien heeft hij het niet begrepen of gehoord, want er komt geen reactie.

‘Lucas, ben je er nog?’

Ik hoor hem niet meer, oh god, als hij nog maar leeft. Ik heb dorst. Hoelang liggen we hier eigenlijk al? De hele nacht?

 

Ik word wakker door het warme licht dat door de ramen naar binnen stroomt – ik slaap altijd met de gordijnen open – en voel me weer fit, vrolijk zelfs. Dat doet slaap. Het lichaam en de geest maken een reis naar hogere sferen heb ik ooit gelezen en misschien is het wel waar. Plotseling komt er een droomflard naar de oppervlakte van mijn bewustzijn. Ik lig ergens op een fluwelen bed, het is donker om me heen maar dat deert me niet. Ik weet dat het donker slechts tijdelijk is en bovendien ben ik niet alleen. Heb ik dat gedroomd vannacht?

Ik blijf nog even liggen om me te oriënteren op de nieuwe dag. Vandaag ga ik zwemmen en snorkelen. Vooral op het snorkelen verheug ik me. Ik ben hier al vaker geweest en weet dat er onder water de mooiste tuinen van koraal en vissen te zien zijn, daar heb je geen duikerspak of zuurstoffles voor nodig en het water is altijd lekker warm. Tijd om het bed uit te komen.

Het ontbijt is eenvoudig maar smakelijk: gebakken eieren met tomatenketchup, een paar augurken en fijngesneden groene uitjes. Koffie en een sigaret, en de stralend warme zon op mijn hoofd en rug. Misschien ga ik na het zwemmen even de winkeltjes langs om iets bloots te kopen, want mijn zomerkleren zijn zo saai en hoog gesloten, en als ik straks bruin ben wil ik het ook laten zien.

Ik krijg een lift achterop de bak van de pick-up van een paar jongens van de duikschool naast het hotel. Ze brengen me daar waar het gewone snorkelvolk zich doorgaans ophoudt en rijden door met een groepje aspirant duikers, naar elders. Ik spreid mijn handdoek uit over de door de zon gebleekte en door misschien wel honderden bezwete lichamen bevlekte kussens onder het rieten afdak van mijn favoriete strandtent en ga liggen. De zon speelt over mijn borst en armen en prikkelt zachtjes mijn benen en als ik me na een half uurtje omdraai, weet ik zeker dat ik al ben verkleurd. Een eindje verderop ligt de man met de grijze krullen en zijn veel jongere vriendin. Of zou het zijn dochter zijn? Ze is erg aantrekkelijk, tenger en sierlijk gebouwd, met een gave, bleke huid en kleine sproetjes over haar hele lichaam, zie ik wanneer ze terugkomt uit zee. Haar rode haar heeft ze dus van nature. Ze is een beetje bang voor water, want haar snorkel gooit ze demonstratief naast zich neer en ik hoor hoe ze in mijn eigen taal moppert dat ze het nooit zal leren, dat ding op haar gezicht.

Ik glimlach zelfverzekerd, want ik kan het wel. Ik sta op en ga het water in en snorkel langs de beschadigde riffen, waar de kleuren zijn vergrijst. Een eind verderop, daar wordt het pas mooi. Ik leef op in het water, want het enige wat ik hoef te doen is mijn zwemvliezen bewegen en naar beneden kijken. De onderwaterwereld voert een adembenemend en kleurrijk schouwspel voor me op, dat geen enkele kunstvorm op aarde kan evenaarden. Ik ontmoet opnieuw de kleine goudvisjes die in een dichte zwerm nog altijd boven dezelfde afscheiding van koraalbloemen hangen, daar waar het plotseling diep wordt. Daar zijn ze weer, de vaste bewoners van het rif: papegaaivissen, met in elkaar overlopende kleuren in turkoois, oranje, blauw, paars en felgeel, zo mooi dat je de eerste keer als je ze ziet van verbazing aaah zegt en meteen je mond vol zeewater hebt. Ze zwemmen meestal net onder het wateroppervlak en knabbelen met hun stompe vissenbekken de algen van het koraal. De angelfish, die bij ons geloof ik maanvis heet, plat en met kleurrijke vinnen, als de vleugels van een engel en de kleine, sierlijke, felgele anemoonvis, herkenbaar aan de twee spierwitte strepen. Ze is altijd te vinden op dezelfde plek: tussen de met de stroom mee bewegende tentakels van de zeeanemoon. Ik zie zoveel bekende en nieuwe soorten, dat ik besluit nu eindelijk eens een fatsoenlijk boek over koraalvissen te kopen. De verschillende vormen van het koraal zelf zijn al een wonder op zich, en al die kleuren! Het spierwitte zand op de bodem weerkaatst het licht wat van boven de oppervlakte gefilterd naar beneden komt en doet een school lange, dunne vissen die verticaal in het water hangen glinsteren als tere, zilveren blaasinstrumenten. Trompetvissen heten ze, niet voor niets. Roze, doorzichtige kwallen zweven als kleine danseresjes in groepjes net onder de oppervlakte en als ik weer terugkom aan land weet ik dat ik weer heb genoten. Goed idee, die reis! Dan ebt de euforie geleidelijk aan weer weg. Wat zal ik vanavond doen? Ik schaam me, dat ik alleen ben. Zonder partner is het alsof je hebt gefaald.

Hebben, ik mag hem niet hebben. Je mag niemand willen hebben, maar waarom zit het dan zo hardnekkig in onze genen, die romantiek van het willen bezitten en bezeten worden? Bezitten en bezeten, gevaarlijk terrein, heel toepasselijke woorden eigenlijk, als je bedenkt welke betekenissen het woord bezeten nog meer heeft…

 

Ik ontwaak door het verschuiven van iets boven me, waardoor een hoeveelheid losse stenen en zand tussen het grove puin door naar beneden valt en ik begin te gillen om hulp. Zijn ze begonnen met puin ruimen? Ik zie een streep licht van boven komen, tussen de brokstukken door. Ik span mijn ogen in tot het uiterste en zie in het halfduister een muur van los puin die me geheel lijkt in te sluiten. De enorme angst bij het idee ingesloten te zijn beneemt me bijna de adem. Rustig blijven Irene, zo diep ademhalen als je kan…

‘Lucas, Lucas, hoe gaat het met je? Ben je wakker?’

Ik hoor een diepe zucht naast mij.

‘Ik ga niet weg hoor!’

‘Heb je het licht gezien? Het zal wel ochtend zijn nu. Ze zullen toch nu wel gaan zoeken?’

Als om mijn vermoeden kracht bij te zetten, hoor ik plotseling van heel ver het geluid van een machine.

‘Jazeker, zo te horen zijn ze al bezig.’

‘Maar als ze de boel verplaatsen heb je kans dat alles boven ons instort!’

‘Dat weten ze daarboven ook wel, heb nu maar een beetje vertrouwen.’

‘Vertrouwen? Hoor je hoe ver weg ze klinken? Dat gaat een eeuwigheid duren voordat ze ons vinden.’

‘Een eeuwigheid, ja. Irene, wat heeft je hier naar toe gebracht?’

Hier naar toe? Wel, de aardbeving natuurlijk maar dat zal hij niet bedoelen.

‘Hier op vakantie, bedoel je?’

‘Ja.’

‘De zon, het strand, de woestijn en de koraalvissen, die zijn toch zo wonderlijk mooi.’

‘Ja, ze zijn prachtig, nietwaar? Ik heb je gisteren uit het water zien komen, stralend en wel en wist precies hoe je je voelde.’

‘Hou je ook zo van snorkelen dan? Je bent gewoon even in het paradijs, zo ervaar ik het elke keer als ik in zee ben.’

Wie is hij, heb ik hem dan ook gezien, als hij mij uit het water heeft zien komen?

‘Waar was jij dan? Hoe zie je er eigenlijk uit?’

Ik grinnik zowaar een beetje, dit is toch wel een heel bizarre situatie. Je praat met iemand die je niet kent en niet kunt zien en toch voelt het vertrouwd, veilig.

‘Oh, gewoon. Maak je maar een voorstelling, hou er alleen niet aan vast, want dan word je misschien teleurgesteld...’

‘Hoezo? Mag ik niet weten hoe je eruit ziet?’

‘Het is veel leuker als je er zelf achter komt.’

‘Oh.’

Wat een vreemde snoeshaan. Maar goed, hij houdt me bezig, op een plezierige manier zelfs en voor mijn ogen verschijnt het beeld van de wat oudere man met de bos krullen.

‘Ik denk dat ik weet wie je bent! Ben jij die man die samen met het roodharige…’

Boven ons begint het te rommelen en opnieuw vallen er brokstukken puin naar beneden. Er valt iets op het schot boven mijn benen en ik gil van schrik en van de pijn.

‘Niet bang zijn, Irene, heb vertrouwen. Dit zijn geen grote brokken puin, die halen ze waarschijnlijk heel voorzichtig weg, daarboven en dan kan het niet anders of er valt wat gruis mee naar beneden.’

Wat gruis. Verdomde optimist. Als alles gaat schuiven worden we gewoon verpletterd. Dat soort verhalen hoor je niet tijdens nieuwsverslagen, alleen de verhalen over wonderbaarlijke reddingen. Mijn ogen prikken van het stof en mijn mond is kurkdroog. Ik merk hoe hevig mijn dorst nu is. Er begint opnieuw iets te verschuiven boven ons en ik druk mijn handen tegen mijn gezicht en gil van angst. Een doffe plof, vlak naast me. Ik voel met mijn handen en slaak een kreet.

‘Lucas, mijn waterfles! Hij kwam zomaar mee naar beneden rollen. Ik had er net een uit de koelkast gepakt toen de aardbeving begon! Hij moet mee naar beneden zijn gevallen en zijn blijven steken onderweg. En nu valt hij zomaar naast me! Is het geen wonder?!’

Overgelukkig schroef ik de dop los, richt me op zover mogelijk op en drink een paar slokken uit de nog volle fles.

‘Heb je ook dorst? Ja natuurlijk heb je dorst. Zal ik hem over de stenen gooien, naar jouw kant, dan kun je hem misschien pakken.’

‘Niet doen, Irene, dat gaat niet. Dan hebben we geen van beiden iets te drinken. Hou de fles bij je!’

Het klinkt eerder als een bevel en ik leg het kostbare goedje vlak binnen bereik. Hij heeft gelijk. De hoop puin reikt bijna tot aan een loshangende deel, wat lijkt op een plafond. Als de fles wegrolt en onbereikbaar wordt…

‘Misschien kun je het puin tussen ons wegruimen, zodat er een grotere opening ontstaat, dan kun je ook drinken.’

‘Dat is lief van je Irene.’

Ik hoor wat gerommel, hoog boven ons, vaag het geluid van blaffende honden.

‘Hoor je dat, Lucas? Ze zijn met honden bezig ons op te sporen.’

Maar als ik bedenk hoe diep we hier verscholen liggen, zakt de moed me weer in de schoenen en begin ik te huilen.

‘Hoe oud ben je?’

Lucas weer.

‘Net vijftig. Het leven zou nu opnieuw moeten beginnen, eigenlijk, maar ik ben nog niet zover. Mijn hart ligt in diggelen…’

Toen ik dat had gezegd begon ik opnieuw te huilen.

‘Ik heb een verhouding gehad met een getrouwde man, heel even. Het kwam als een donderslag uit heldere hemel. Ik kende hem al een poosje, maar hij was helemaal niet mijn type, weet je. En dan ineens slaat het toe, van beide kanten, een soort van wederzijdse herkenning, maar hij wilde zijn vrouw niet verlaten. Hij hield nog van haar, zei hij en bovendien had hij kinderen…’

‘En toen hebben jullie er een punt achter gezet?’

‘Ja, beiden.’

‘Maar waarom heb je dan nu nog zo’n verdriet? Het is toch goed zo? Hij doet wat hij moet doen en als hij klaar is ontmoeten jullie elkaar misschien opnieuw.’

Het werd doodstil. De woorden vielen als stenen op mijn hart, bleven even liggen om me de adem te benemen en zakten daarna als het ware dwars door de hartklomp naar beneden, waardoor er een gat ontstond, een opening. De beklemming was plotseling verdwenen.

‘Zou dat mogelijk zijn?’

‘Niets is onmogelijk. Als iemand echt bij je hoort, dan vindt hij je terug. Maar eerst moet je wel leren loslaten en niet meer willen bezitten… Dan maakt het geen verschil meer of hij nu wel of niet komt.’

God nog aan toe. Had ik daar niet aan gedacht, kort geleden nog, bezitten, bezeten…

‘Hoe doe je dat, loslaten? Ik heb wel geprobeerd hem van me af te zetten, maar die gevoelens gaan niet weg, die komen steeds terug. Ik kan soms nauwelijks ademhalen van de pijn.’

‘Eerst de pijn toelaten en doorleven, daarna komt de vrede. Als je de pijn wegdrukt, word het alleen maar erger, want dan ga je een gevecht aan met je geest. Wanneer je de pijn toelaat en neemt zoals hij komt, kan deze zich omzetten in vrede. Pijn is verslavend, want de mens weet wie hij is met zijn zelf geschapen scenario’s, zijn gevoelens, zijn euforie en zijn pijn.  Eigenlijk lijden we het meest omdat we ons niet aan vrede over durven geven en zelf de touwtjes in handen willen houden.’

‘Wat zeg je dat mooi, Lucas. Heb je zelf ook zoiets meegemaakt? Om het zo te zeggen moet je het toch wel eerst ervaren hebben, zelf?’

‘Hmmm, ja. Maar ieder mens weet het, het is alleen een kwestie van wat je weet opnieuw te ontdekken, door het stellen van vragen. De Griekse filosofie kent de ‘mayeutische’ methode. Socrates wist door het stellen van vragen de mens uit te dagen zelf naar antwoorden te zoeken. Antwoorden die als het ware opnieuw geboren worden, omdat ze al in de baarmoeder van de mens verscholen liggen. Mayeutica betekent vroedvrouw in het Grieks.’

‘Jij bent vast en zeker filosoof!’

‘Welnee, ik heb niet eens gestudeerd. Hoor eens…’

Het geluid van bulldozers en houwelen is nu duidelijk te onderscheiden, al klinkt het nog steeds heel ver weg.

Dan hoor ik zijn stem niet meer en nadat ik een paar keer tevergeefs zijn naam heb geroepen, vrees ik dat hij bewusteloos is geraakt. Misschien leeft hij al niet meer en heeft hij mij hier helemaal alleen gelaten! Oh god, waarom zegt hij niets? Ik kan dit niet alleen aan. Tot overmaat van ramp begint ook het licht wat van boven komt te verzwakken. Mijn maag krimpt in elkaar van de honger en ik neem nog een slok water, om in elk geval mijn dorst te lessen. Ik kan niet eens het water met hem delen. Als dat nou maar mogelijk was, dan kon hij misschien langer in leven blijven…

 

De vrachtwagen ziet er onheilspellend uit, een monster van techniek en staal. Tussen de cabine en de laadbak zie ik iets en als ik dichterbij kom zie ik het kleine meisje, beklemd tussen het voor en achterdeel van de vrachtwagen en begin om hulp te schreeuwen. Het lijkt wel alsof de chauffeur me niet hoort, hij rijdt gewoon door. Ik ren achter de vrachtwagen aan en gil naar boven, naar de cabine van de chauffeur. Hij kijkt opzij. ‘Stoppen! Je moet stoppen,’ gil ik en eindelijk heeft hij het door. Nu moet het kind nog bevrijd worden. In godsnaam, als ze maar niet zwaar gewond is.

 

‘Irene, Irene word wakker!’

Word wakker? Ik slaap toch niet?

‘Ben jij het Lucas?’

Een zacht gegrinnik. Het klinkt inderdaad grappig, alsof er hier behalve Lucas en ikzelf nog een dozijn andere mensen ligt te wachten op hun redding, gezellig keuvelend.

‘Ik sliep niet hoor.’

‘Je was aan het huilen, je huilde in je slaap.’

 

‘Irene,’ hoor ik in de verte. ‘Kun je niet een beetje meer van jezelf leren houden?’

 

‘Je hoeft het niet alleen te doen, daar kun je op vertrouwen. Volg je adem naar je hart en voel hoe Liefde je zal leiden, eindeloos geduldig, met kleine en grote wonderen, als je ze maar wilt zien en de controle op durft te geven.’

 

De laatste woorden van Lucas, de laatste woorden die ik van hem heb gehoord. Als ik hem daarna roep, zwijgt hij. Ook als ik weer even wegzak in een soort halfslaap, dankbaar de pijn in mijn benen en de honger niet meer zo te hoeven voelen en later, als ik weer bijkom, hoor ik hem niet meer. Ik voel me nu ongelofelijk alleen, al is er iets veranderd, iets van kracht binnen gesijpeld. Als ik hier uitkom, zal ik het leven beslist voluit gaan leven, dat neem ik me voor. Ik wil niet langer afhankelijk zijn van de liefde van anderen. Ik wil leven, LEVEN verdomme en niet meer in de pijn blijven hangen!

Als ze me na drie dagen en twee nachten onder het puin vandaan halen en ik voor het eerst weer het licht van de zon zie, zij het indirect, want mijn redders beschermen mijn ogen tegen het al te felle licht, lopen de tranen over mijn wangen van geluk. De pijn in mijn benen voel ik niet eens meer. Ik roep naar mijn redders dat er nog iemand vlakbij me ligt, dat hij bewusteloos is, of misschien wel dood. Ook in het ziekenhuis denk ik voortdurend aan Lucas. Ik wil zo graag dat hij het overleeft, mijn onbekende redder in het duister. Ik wil hem graag zien en aanraken om zeker te weten dat hij ook echt bestaat. Zelfs als hij het niet heeft overleefd, wil ik hem zien. Ik vraag de verpleegkundigen, maar die halen verbaasd hun wenkbrauwen op. Nog meer overlevenden? Een jong meisje, een met rood haar, ken ik die? Twee personeelsleden van het hotel hebben het ook overleefd. Er waren gelukkig niet zoveel gasten. De doden liggen in de aula van het ziekenhuis, behalve degenen die door de familie zijn opgehaald, want moslims worden zo snel mogelijk begraven.

Lucas Steenman kan geen moslim zijn geweest.

Mijn linker onderbeen is op twee plaatsen gebroken, het rechterbeen zwaar gekneusd. De verpleegster neemt me in een rolstoel mee de afdeling op. Het roodharige meisje is er beroerd aan toe. Haar vriend – de man met de krullenbol blijkt haar vriend te zijn, maar wel een getrouwde vriend – ligt op een andere afdeling. Als ik met kloppend hart in een rolstoel naar de mannenafdeling wordt gereden en de man met de grijze krullenbol in bed zie liggen, zijn beide armen in spalken en zijn gezicht rood van de schaafwonden, weet ik het eigenlijk al. Dit is Lucas niet. Ik weet niet waarom ik daar zo zeker van ben. Naast zijn bed zit zijn vrouw. Ik praat maar heel even met hem en vraag hem naar zijn naam, om mijn vermoeden bevestigd te zien. Hij is al direct na de instorting van het hotel uit de brokstukken gehaald en opgenomen. Dan sta ik erop dat de verpleegster me naar de aula rijdt. Het is er koud en het kille licht van de tl-buizen correspondeert met stijve, koude lichamen. Hier liggen mensen die het niet hebben overleefd. Een echtpaar, twee meisjes, leerlingen van de duikschool en tot voor kort twee personeelsleden, word me verteld. Het echtpaar is in bed gevonden, ineen gestrengeld, zegt de de man in het wit. De twee personeelsleden waren allebei moslims. Er is niemand gevonden met zijn naam, ook niemand vermist met die naam, vind ik later uit. Sterker nog, er stond geen Lucas Steenman op de gastenlijst van het hotel, die ze wisten te herconstrueren met behulp van de reisbureaus en de getuigenissen van personeelsleden die het hebben overleefd. De man van het Nederlandse consulaat, die een bezoek bracht aan het ziekenhuis liet weten dat er zelfs geen visum voor hem was afgegeven.

In de tijd dat ik hier lig, kan ik veel nadenken en vraag ik me voortdurend af wat er precies is voorgevallen, daar beneden onder het puin. Mijn verstand kan het niet vatten, dus geef ik het op en geef me over aan het niets-meer-zeker-weten.

De nacht voor ik terug naar huis vlieg, droom ik het volgende:

Ik lig op een fluwelen bed met duisternis rondom mij, maar ik ben niet bang. Dan schuift een hand een gordijn open en wijst naar het licht, dat nu binnenstroomt. Ik voel me plotseling gelukkig en vol vertrouwen. Dan zwaait de hand, als ten afscheid en ik word wakker met het besef dat mijn redder afscheid heeft genomen. Nu mag ik het zelf verder doen en ik weet dat het leven goed is zoals het nu is.

 

EINDE

 

Maak simpel je website Eigen site maken